Tijd om te spelen

Tijd_om_te_spelen

Tien kastdeuren. Veertien lichtspots. Zestien pootjes. De tegels: zesendertig. Als ik alleen ben, speel ik spelletjes. Met mezelf. Dan raad ik bijvoorbeeld op voorhand hoeveel dingen er zijn, spreek ik bij mezelf af hoe ver ik ernaast mag zitten en dan ga ik tellen. Als ik win, beloon ik mezelf met nootjes. Of dan mag ik ’s avonds stiekem langer opblijven. Als ik verlies, krijg ik de volgende ochtend geen choco. Maar hier zijn weinig dingen om te tellen. Ik kijk op mijn lichtgevend horloge. Tante Marianne is nu al een minuut en zeventien seconden weg. Dat geeft me nog drie minuten en drieënveertig seconden om op verkenning te gaan. Mijn lievelingsspelletje.

Ik wandel naar de keuken (let op, geen voeten op de voegen). Ook daar tel ik alles op zicht. Veertien deuren. Die van de oven en de koelkast heb ik meegeteld. Op mijn tenen ga ik verder naar de kelder, waar ik nog nooit geweest ben. Zachtjes (op verkenning gaan is iets wat je zachtjes doet) duw ik de deur open. Ik zie de eerste treden van de trap, maar verder niets. Aan het plafond bungelt een lichtpeertje slordig aan een rode kabel. Het springt aarzelend aan wanneer ik de schakelaar heel voorzichtig induw (geen klikgeluid maken). Nog drie minuten en vier seconden. Ik fixeer mijn ogen op de secondewijzer terwijl ik de trap afga. Pas helemaal beneden mag ik omhoogkijken.
Rekken vol blikken had ik verwacht. Om te tellen. Of een krat aardappelen. Misschien een grote wijnvoorraad. Flessen die per jaar langs de wand gesorteerd zijn. In de plaats daarvan vind ik enkel rommel. Hier en daar zijn natte plekken op de vloer. Daartussen: een stoel met drie poten, een kastje waarvan één deur scheef in de hengsels hangt en dan: een kinderbedje. Enkele veren steken door de matras heen. Het bedje werpt een griezelige schaduw op de muur. Terwijl ik mijn vingertoppen over de schaduwlijnen laat dansen, vraag ik me af wie daarin geslapen heeft.

Dan pas valt mijn oog op de poster. Een ganzenbord. Het ziet er oud uit. De vakjes hoef ik niet te tellen. Het zijn er drieënzestig, dat weet ik. Ik heb vaak ganzenbord gespeeld. Linkerhand tegen rechterhand. En op voorhand zette ik snoepjes op één van beide handen in. Onder het bord staan de spelregels in een regelmatig piepklein handschrift. Nog een minuut en vierendertig seconden. In een opwelling haal ik de poster van de muur. Ik houd mijn trui omhoog en leg het spelbord op mijn buik (geen kreuken). Nog een minuut en acht seconden.

*

Na vier minuten en drieëndertig seconden komt tante Marianne terug binnen. Ik wil niet meer praten. Ik zit in de zetel en tel de seconden. Niet denken aan het zweet onder mijn oksels, aan de druppeltjes die straks naar beneden zullen rollen en de hoeken van het spel vochtig zullen maken. Hopelijk komt mama mij snel ophalen.

*

Pas ‘s avonds haal ik het spel van onder mijn trui. Het voelt klam aan en heeft de vorm van mijn buik aangenomen. Ik leg het in mijn nachtkastje. Straks kan ik spelen. Eerst wacht ik. Tot mama gaat slapen. Avondspelletje: tien minuten proberen om mijn ogen dicht te houden (niet spieken op de wekkerradio). Telkens opnieuw tel ik in mijn gedachten. Zestig keer tot tien. Ondertussen hoor ik hoe mijn mama haar tanden poetst en even later hoe ze het toilet doorspoelt. Nu zal ze controleren of alle lichtschakelaars uit zijn. En bij het passeren aan mijn kamerdeur, zal ze even stilstaan en luisteren. Daarna slaapt zij vrijwel onmiddellijk in. Ik denk aan tante Marianne. Zal ze ooit merken dat het bord weg is? Zal ze boos zijn? Ik zweet weer. Ik krijg het zo benauwd. Ik raak mijn tel kwijt.

Geschreven door Lise Delabie, fotografie door Rudina Coraj