Terts

Terts_1280


We zagen je direct, ik en mijn fles wijn, toen je kwam aangegleden door de schemering van de nachtevening. Wat ben je mooi, nietsvermoedend badend in een bundel stervend zonlicht. Rustig wijken de huizen aan de overkant en je kijkt me aan, emotieloos. Ik weet het mijn vriend, ik ben je god. Ik heb je namelijk net geschreven.

Ga zitten, mijn vriend, ik schrijf een rode rookstoel voor je neer. Ga zitten en begin met leven. Kijk om je heen en zie hoe ik je wereld schrijf. De vloer onder je voeten schrijf ik je, plank voor plank in zwaar eikenhout. Ik schrijf een haard vol warmte, mijn vriend, en een boekenkast gevuld met Russen. Ze zijn voor jou, om mee te pronken. Ik schrijf je een bureau, groot en bruin. Spreid je vingers, mijn vriend, en leg ze op het notenhout. Voel je wie ik ben? Zie je wat ik doe mijn vriend? Ik maak je mij, maar in een vorm die ik nooit zijn kan. Laat me je een bed schrijven om te rusten als een mens. Dromen schrijf ik je en herinneringen. Wat is een bed zonder tafel? Wat is een tafel zonder glazen? Ik schrijf eten voor je, drank en vreugde erbij. Een vrouw, een vrouw schrijf ik je, om van te leren en houden. Ik zie je lonken in je wereld, raap je moed bijeen, ze is voor jou.

De tijd is gekomen om de zandloper te keren. Hef het glas met ons en drink op de sterfelijkheid. Schenk uit! Schenk uit tot aan de droesem toe. Schenk dat heerlijke vocht in onze glazen van kristal. Voorzichtig nu, laat de kurk niet breken, onze vrijheid is tastbaar dichtbij. Kom binnen, mijn vriend, stamp de sneeuw van je laarzen en laat me je omhelzen.

Je bent mij, mijn vriend, dat is je vloek. Daarom schrijf ik door met pijn in mijn hart. Wat glinstert daar aan de melkwitte handen van je muze? Ze is onbereikbaar, een andere man bezit haar lichaam en haar hart. Wat nu mijn vriend, huil je om haar? Woelt je hand door je haren? Staar je in de nacht en luister je naar treurige muziek? Ik neem je bed, waarom zou jij wel slaap verdienen? Weg met het voedsel, je glazen spatten kapot. Je bureau neem ik, het heeft je nooit gestaan. Daar gaat de nostalgie om in te zwijmelen, daar gaan je Russen, ik neem ze terug. Daar zit je dan, kijk me nu maar aan en smeek me met je ogen. Je weet dat ik je vloer ga nemen, plank voor plank. En de warmte, langzaam vloeit ze uit je weg. Wat ben je nu mijn vriend? Niets dan een koude gek in zijn rookstoel. Hou die stoel maar en stop met huilen.

Begrijp je dan niet dat ik van je houd? Neem je pen, gevuld met gal en schrijf jezelf een metgezel.

Geschreven door Jurie Florijn met foto’s van Westerhuis & Westerhuis.