Stilte

Stilte_bram_van_baar

Dagen gaan voorbij als filmhuisvoorstellingen: traag, beeldschoon en vol intense leegte, maar bijna altijd te lang.

Dat is het nadeel wanneer je niet meer dan een uur per nacht slaapt. Het is alsof je een prachtig boek leest dat na iedere voltooide bladzijde een nieuwe produceert. Het blijft maar duren.

Ik ben gestopt met slapen toen ik merkte dat al mijn dromen al een keer voorbij waren gekomen. Dat weet ik omdat dromen bij mij langzamer sterven dan bij andere mensen. Ze blijven bij me zolang mijn hoofd op mijn kussen rust. Helder, alsof ik naar de overdrijvende wolken kijk in plaats van naar mijn grijze plafond. Vandaar het schrift op mijn nachtkastje. Ze staan er allemaal in, iedere droom tot in detail beschreven, en een enkele nu al twee keer dus. Nare herhalingen. Wanneer er op televisie niets dan herhalingen zijn, kun je hem het beste een periode uitzetten en naar buiten gaan en de wereld om je heen ontdekken, of het heelal wanneer je het groots wil aanpakken.

Ik heb het omgedraaid. Ik ben niet gaan turen door een telescoop, op zoek meer: naar buitenaards leven en onontdekte planeten. Ik ben de dingen onder mijn neus microscopisch aan het bekijken, aan het beleven.

Heb je ooit uren aaneen in de storing van je tv gekeken, jezelf laten bedelven door statische sneeuw, terwijl je radio, tussen twee zenders in, niet eerder gehoorde klanken vormt? Wanneer je het oor traint zul je boodschappen uit een andere wereld doorkrijgen. ‘Hemel’, vind ik altijd zo’n loos begrip. Zo zie ik dat.

Ik staar al twee uur in die ruis. Toch zag ik haar vanuit mijn ooghoek naderen. Alsof er onderling contact is tussen mijn en haar DNA in ultrasone basiskreten. Haar verschijning neemt zes lamellen in beslag. De onderste trekt een streep over haar enkels – ze draagt zwarte panty’s – de bovenste scheert over haar donkerblonde kruin. De details van haar gezicht zijn niet goed waarneembaar, zelfs niet met toegeknepen ogen, maar ze zeggen dat ik op haar lijk.

Het is kwart voor zes; ik ben negen minuten te vroeg. Maar als ik te laat ben, laat hij me waarschijnlijk niet meer binnen. Laat ik hier nog maar even wachten. Ik leun tegen het tuinhek en druk het magnetronbakje tegen me aan. Zuurkool met worst en stukjes ananas, daar is hij donderdags dol op. Ik zie hem al zitten, mijn jongen. Op het puntje van zijn bank staart hij in het flikkerende licht van zijn tv. Het enige licht in de duistere kamer.

Door de lamellen kan ik zijn gezicht niet goed zien, maar ik weet dat er geen expressie op te zien is en dat zijn ogen leeg staan. Ik zie wel dat hij zijn pyjama al aanheeft, of nog steeds. De verticale, blauwe strepen laten zijn lichaam er nog magerder uitzien. Hij zal zijn eten toch niet weggooien? Doucht hij zich nog wel?

Hij heeft me gezien. Als een oude man komt hij overeind en loopt naar het raam. Uitdrukkingloos tuurt hij door de lamellen. De storing op zijn tv ontving vast een warmere blik. Huilen kan ik niet meer, maar pijn doet het wel. Ik weet niet eens of hij boos op me is, of hij me iets verwijt. Soms droom ik ervan dat hij me de huid vol scheldt en dat we elkaar daarna huilend in de armen vallen.

Acht maanden al, acht pijnlijk stille maanden. Hij draait de lamellen dicht. Mij rest niets anders dan te wachten tot ik zijn tijdschema kan binnenstappen.

‘Hoi, jongen’, zegt ze, en volgt me de gang door. Aan haar onregelmatige voetstappen op de plavuizen hoor ik dat ze het onderzoeksmateriaal aan de muur in zich opneemt. Ze kijkt naar links, ze kijkt naar rechts, laat haar blik van boven naar beneden glijden en heeft vermoedelijk, net als ik, nog niet het juiste patroon kunnen vinden. Tot mijn opluchting blijft ze overal met haar vingers af. Een verstoord proces levert nooit een zuivere uitkomst. Zo voel ik dat. Ik versnel mijn pas.

Ik volg hem de huiskamer in en loop onmiddellijk door naar de keuken. Hij eet stipt om drie over zes. Als ik het een minuut later voor hem neerzet, slaat hij het over. Het liefst zou ik de radio en televisie willen uitzetten, het licht aan doen, de uit de krant geknipte weerberichten van de muren in zijn gang willen trekken. Ik zou hem bij zijn schouders willen beetpakken en door elkaar schudden, net zolang tot de bubbel waarin hij leeft knapt. Net zolang tot ik mijn jongen terug heb. Maar die bubbel is van graniet en ik kan alleen maar hopen dat hij langzaam afbrokkelt.

Ik ga weer zitten en hoop maar dat ik niets gemist heb en de concentratie nog kan opbrengen om te zien en te horen. Op de radio schieten het weerbericht en een Frans chanson de ruis binnen, op zoek naar connectie. Op televisie lijkt het grijs de macht over het zwart te grijpen en speelt ermee als een herfststorm met zijn vallende bladeren.

Piep… piep… piep… piep. De magnetron start op. Moeder komt naast me zitten. Ze laat het licht uit dit keer. Even lijkt ze haar hand op mijn been te willen leggen, maar dan slaat ze haar armen over elkaar. Minutenlang blijft ze zo zitten. Ze zwijgt, verstoort nu eens niet mijn gedachten met onbeduidende vragen over mijn welzijn. We hoeven niet te praten. Zet mij en mijn moeder in één ruimte en het zoemt van de ultrasone kreten. Zo beleef ik dat.

Samen staren we in de hoopgevende ruis. Na vier minuten en twaalf seconden piept de magnetron.

Geschreven door De Heer Bill, fotografie door Rudina Coraj