Mos

Gerdien_1


Wat een gevoel. Wat een heerlijk gevoel.

Hij haalde diep adem, sloot zijn ogen en trok zijn jas weer aan. De glinstering van de zon op het water vernauwde zijn ogen tot spleetjes. Het mos strekte zich uit het water, op zoek naar licht. Even werd de geur van verse hondenstront op de wind langs zijn neus gedragen. Hij wendde zijn gezicht af en keek naar wat de winter met zijn idylle had gedaan. Alles was verdord. Zelfs het onkruid. Het lag kil en zonder doel te wachten.

Hij begon het warm te krijgen en herinnerde zich waarom hij zijn jas weer had aangedaan. Dat gevoel. Dat heerlijke gevoel. Na maandenlang schuil te gaan in zijn wollen jas, onder het volle gewicht van zijn wintercocon, de eerste voorbode van een zachte lente: je jas uitdoen. Eigenlijk liet de frisse wind het nog niet toe. Die verdraaide zon had hem ertoe aangezet, als een lokkend zacht, zuiders accent. De gele schijn. Hij liet nog even de wind toe hem te verkoelen en bracht zelf zijn haar in de war voordat hij een uitdagende blik aan haar schonk. Jas weer aan.

Hij wandelde verder en dacht aan het moment dat de winter zijn eerste vorst had gezonden. De jury had zijn verhaal afgekeurd. Onorigineel, platgewalst. Ze hadden zijn subtiele spot met de leegte niet opgemerkt. Of niet gewaardeerd. Zijn vader had het vast wel begrepen. Vanaf toen werd zijn haar donkerder, zijn huid witter. De winter daalde neer als een mistroostige witte bruid die hem wilde omhelzen met kille armen.

Waarom hadden ze een begin gewild? En een einde? Konden zij het niet begrijpen dat de leegte er eenvoudigweg is?
De eerste sneeuwvlokken waren gevallen en een eerste rilling trok door mijn vermagerd lichaam. Mijn vader stierf. De sneeuw wilde hem bedekken, wilde een sneeuwpop van hem maken. “Ik laat het niet toe!”, had ik geroepen. Ik probeerde tevergeefs de resten van mijn zongebruinde huid hem te laten verwarmen. Zijn geur, die van gedroogde zonnebloemen, wilde ik vastklemmen aan zijn hemd. Maar wij werden wit. Onze huid werd winter en zijn geur verdween. Mijn tranen waren witter dan de sneeuw en leger dan het verhaal waar ik ooit mee zou spotten.

Morgen schrijf ik een nieuw verhaal, papa. Ik beloof het.

Hij wandelde verder en dacht aan het moment dat het water was gaan bevriezen. De bloemen bij zijn vaders graf werden hard en glazig. Zijn moeder ook. Hij ging terug naar het vertrouwde huisje waar ze altijd met z’n vieren hadden gewoond. Hij zorgde voor haar, negeerde zijn witter wordende huid, zijn winterhuid, en deed zich voor als een madeliefje. Zijn moeders lievelingsbloem. Samen kwamen ze er wel doorheen. Dat had papa altijd al gezegd. En hij had gelijk. De eerste barsten in het ijs werden eindelijk zichtbaar met de komst van de rust. De lange winter, die jaren had geduurd, begon te smelten. En hij deed zijn moeders jas uit. En hij deed zijn jas uit. Wat een gevoel, wat een heerlijk gevoel.

Je had gelijk papa. Je had verdraaid weer gelijk. Morgen schrijf ik een nieuw verhaal, papa. Ik beloof het.

Geschreven door Gerdien Huisman met foto’s van Rudina Coraj