Over lijken

Patricia Pos - Over Lijken

Na mijn laatste slok ochtendkoffie sla ik routineus de witte deken van zijn gezicht af. In eerste instantie zie ik niet wie ik voor me heb. Dode gezichten zien er anders uit dan levende en dit gezicht is een stuk ouder dan in mijn zorgvuldig weggestopte herinnering. Zoals gewoonlijk doet mijn fantasie haar werk. Grijzige man, maar niet overdreven oud; misschien vader, maar nog geen opa. Een bierbuik. Vrachtwagenchauffeur? Ik glimlach om het cliché. Misschien was hij wel arts. Of advocaat.

Ik herken hem aan het litteken in zijn hals en de haren in mijn eigen nek staan direct overeind. Fantasieën maken plaats voor de feiten van vroeger. Tweeëntwintig jaar geleden liep deze man stage als gymleraar op mijn middelbare school. Hij was jong, knap, aardig en dus populair bij de meisjes. Heel vrouwelijk havo 4 zat elke pauze aan het raam dat uitkeek op de gymzaal, in de hoop een glimp van hem op te vangen. Ik, schaap in de kudde, was in mijn blinde adoratie helaas minder subtiel dan mijn klasgenoten. Niet dat ik expres liet blijken dat mijn hartslag verdriedubbelde als hij voorbijliep, maar ik had nu eenmaal niets verhullende wangen die dieprood kleurden zodra ik door gêne of een andere heftige emotie werd overvallen. Hij zag dat. Zijn stage rondde hij niet af op onze school.

Ik praat nooit tegen doden. Op een enkele zenuwtrekking na reageren ze namelijk zelden en in gesprekken hou ik toch wel van tweezijdigheid. Vandaag maak ik echter een uitzondering. Mijn collega’s zijn nergens te bekennen en dus adem ik eens diep in terwijl ik zijn gezicht bestudeer.

‘Hey meneer Buiter. Roy.’

Zijn wenkbrauwen zijn niet meer zo netjes bijgehouden als vroeger. Het zijn nu twee bruin met grijze borstels en aan de linkerkant groeien enkele haren eigenwijs tegen de richting van de anderen in.

‘Dat is lang geleden.’

Ik staar naar zijn gezicht en verwacht dat hij ieder moment zijn ogen zal openen. In tegenstelling tot andere lijken ben ik hem immers warm gewend. Rustig begin ik te werken.

‘Ik vraag me af of u me nog zou herkennen, na al die tijd… Maf eigenlijk hè, dat de rollen nu omgedraaid zijn.’ Destijds was ik machteloos in zijn handen. Nu ligt hij zonder kans op tegenspraak in de mijne.

‘Gelukkig ben ik anders dan jij. Ik zal je goed verzorgen. Ik doe niks wat ik niet zou moeten doen.’ Ik smeer poeder op zijn gezicht dat de bleke kleur van zijn huid verhult. Even ben ik geneigd de tegendraadse haren in zijn wenkbrauw weg te halen, maar met de pincet al in mijn hand besluit ik ze toch te laten zitten. ‘Ik vraag me af wat er met je gebeurd is, nadat je weg was. Je bent geen sportleraar geworden, zo te zien.’

Het hemd dat ik hem heb aangetrokken spant om zijn ronde buik. Mijn fantasie vult de feiten in mijn hoofd aan. Misschien maakte hij zijn opleiding nooit af, of vond hij door het voorval tussen ons nooit werk als docent. Aan zijn rimpels en vergeelde vingertoppen te zien heeft hij met zijn gedroomde carrière ook zijn gezonde leefstijl opgegeven.

‘Weet je, ik zou alles met je kunnen doen nu. Ik zou je kunnen slaan, je in het gezicht kunnen spugen. Niemand zou het ooit weten, maar…’ Ik haal mijn schouders op. ‘Jarenlang heb ik je van alles willen aandoen, maar nu ik je hier zie is al die boosheid opeens verdwenen.’ Ik strijk zijn jasje glad en voel mijn lippen opkrullen.

‘Bijzonder was ik, dat zei je altijd. En misschien was ik het ook wel. Maar jij… Jij krijgt van mij dezelfde behandeling als alle anderen. Niks geen bijzonderheden… standaard protocol.’

Ik leg zijn handen op zijn borst.

‘Dag meneer Buiter.’

Geschreven door Patricia Pos, fotografie door Rudina Coraj