Lampenlicht

bl_1_1280_1


De jongen komt uit een knus huis, waar een klok tikt en iemand totaal vergeet hoe laat het is. Is het al zo laat, denken ze, ik moet gaan. Een klein huis is het en het staat een beetje scheef. Een bruin huis is het, met gedimd licht en een tl-buis boven het aanrecht die tweemaal knippert bij het aangaan: één maal lang en één maal kort.

Ik zag hen voor het eerst op de Dorpsstraat. Hij liep schuin achter haar, de blik strak op haar rug gericht. Is hij haar broer heb ik gedacht, haar minnaar leek hij niet. ‘Het verschil is weg’, zegt de bakkersvrouw ‘vormeloos en leeg’.

Ze neemt de jongen mee naar de waterkant, naar één van de oude kranen die niemand beklimmen mag. Prachtige houten kranen zijn dat, met binnenin een droomnest voor duiven. Of hij iets wil zien, vraagt ze hem en hij zegt ja; de vraag bevalt hem. Dus klimt hij achter haar naar boven, zijn hoofd iets naar achteren, zorgvuldig een aanraking voorkomend. Aan het plafond van de buik hangen tientallen lampen, gemaakt van glas dat ze gevonden heeft. Omdat ze daar eens in is getrapt toen ze nog een meisje was. Duizenden kleuren weerspiegelen op de wanden en in haar ogen. De jongen heeft nog nooit zoiets moois gezien en voorzichtig raakt hij haar pink aan.

Ze woont hier, zegt ze, en wijst de plek waar ze slaapt. Een dun matje is haar bed, een slaapzak haar deken. ‘Dit is mijn thuis’, zegt ze, ‘ik woon hier’, en ze streelt de bruine muren en likt voorzichtig de roest van haar vingertoppen. Ze lacht stil en praat over rare vruchten en zomertijd. Over huilende wolven en chocoladedruppels praat ze en ze strijkt over de brug van haar neus. ’Ik speelde mijn vingers bebloed op een kruispunt’, zegt ze, ‘ik sliep waar ik mijn hoofd neerlegde’. ‘Kom bij me wonen’, zegt ze nu, en opent het boudoir. ‘Kom bij me wonen en ik geef je alles wat hier is. Ik koop je met mijn lampen en mijzelf en dan ben je van mij.’

De jongen staat met zijn hoofd tussen de lampen. Hij zegt niets, hij houdt zijn adem in. Als ik mijn adem inhoud, denkt hij, dan blijft ze vast. Voorzichtig legt hij zijn hand op een lamp, een rode, en doet een wens; de ogen gesloten, de wenkbrauwen opgetrokken, starend in zijn huid.
Ze schopt haar schoenen uit en wurmt zich uit haar trui en broek. “Dan ben je van mij”, zingt ze zachtjes en klimt uit het raam, haar voeten tastend naar de roestige arm. “Laten we springen”, zingt ze, en ze springt. Maar de jongen springt niet graag; het is te hoog, denkt hij, ik ga dan kapot. Ze wil me kopen om mee te lachen, denkt hij en hij ziet haar lichaam naar het water vallen. Nu strekt ze haar armen, haar benen versmelten tot een vissenstaart en dankbaar blauw onttrekt haar aan het zicht.

De jongen draait zich om en klimt naar beneden, omdat hij liever bezit dan bezeten wordt. Het wateroppervlak glimt voldaan kalm en de lampen zijn uit. Een merel zingt en in de verte blaft een hond.

Ik heb het vast gedroomd, denkt hij, natuurlijk was het niet echt.

Geschreven door Jurie Florijn met foto’s van Rudina Coraj