Een kerstdag

kerstverhaal-2

Ons appartement heeft twee grote, industriële ramen op de zuidzijde, een overblijfsel uit de tijd dat het nog een staalfabriek was. Zittend in het kozijn van die ramen heb ik de winterzon zien ondergaan in fris blauw en goudgeel. Eenzame, pastelkleurige wolkjes proberen nu verkleumd het grijze wolkendek dat de hemel toedekt voor te blijven. De kale bomen duiken schouderophalend in elkaar in afwachting van de koude nacht terwijl de neonverlichting knipperend ontwaakt. In de verte claxonneert een auto en een ijskoude regen begint zijn trieste ritme op de grote ramen. Sneller en sneller volgen de druppels elkaar op en vormen een steeds wildere soundtrack voor de grauwe, ineengedoken mensen beneden op straat, allemaal op weg naar warmte en geborgenheid. Hier boven ben ik overgeleverd aan mijn eigen gedachten en de treurigheid van het einde van het jaar. Maria, schoonheid, waarom bel je altijd op momenten dat ik me heb ondergedompeld in nostalgie?

Je bent moe, zeg je en dat je zo naar bed gaat. Je bent zo eenzaam en je dacht aan mij. Hoe is het om gelukkig getrouwd te zijn, vraag je aarzelend en je lacht een beetje schamper. Ik luister graag verder, je bent toch ver weg. Over hoe je nieuwe verovering zegt dat hij drie of vier kinderen heeft, over hoe koud je voeten zijn en over hoe het snoer van de telefoon je lijf streelt. Je zucht en zegt dat ik stil ben. Ik volg de regendruppels die langs de ramen naar beneden zakken, praat maar rustig door. Hoe anders ik ben en hoe je daar altijd van hield, zeg je nu en dat we niet zo heel ver bij elkaar vandaan zijn; als je wilde kon je morgen bij me zijn. Je verwacht een kindje, zeg je opeens en hoe dat ook van mij zou kunnen zijn. Of ik daar blij mee zou zijn, vraag je zachtjes.

Je snikt en zegt dat je het anders had verwacht. Hoe je dromen uiteen zijn gespat en hoe je meer had verdiend. Waarom heb je mij gebeld Maria? Waarom kroonde je mij uit de parade van verloren minnaars? Je lacht door je tranen heen en zegt dat mijn woorden nog steeds dansen. Je zegt dat je nu precies op de grens van geluk en ongeluk drijft en hoe je daar thuis hoort. Je stem krijgt die treurige kleur als je me vertelt dat ik daar ook zou moeten zijn. Ik moet ophangen, schoonheid, voor je te dichtbij komt.

Autolampen sneeuwen rood en geel op mijn raam en ik besef dat ik gelukkig ben.

De stad roept me met haar geluiden, ze wenkt me met haar regen. Berustend grijp ik mijn jas. Daar hield ze zo van. Jazeker, mevrouw de nachtportier, sommige mensen houden ervan om in de regen te wandelen. De regen is koud en landt voorzichtig op mijn haar en jas. Zilveren eilandjes, elk met jouw gezicht erin. Je lacht me toe in de druipende afvalbakken, je lijf schijnt door in elke ineengedoken vrouw die ik passeer. Ik hoor je stem in het ruisen van de goten en ik voel je hand in mijn jaszak.

De grachten zijn uitgestorven. Verlaten, eenzaam, koud en nat ondergaan ze het dode jaargetijde. De ramen boven de donkere winkels schreeuwen gemaakt geluk de straat op. Weet je nog dat we hier samen stonden, Maria, en dat je naar die ramen spuugde? Café België barstte uit z’n voegen en de Oude Gracht was gevuld met eenzamen als jij en ik. We doken ineen tegen de snijdende wind en verwensten Kerst hartstochtelijk. Met droevige ogen stelden we onze lotgenoten gerust en huilden mee met Fairytale of New York. Nog voel ik je koude hand op mijn wang en hoor ik je gefluisterde beloftes voor de nacht.

Maria, schoonheid, waarom mis ik het ongelukkig zijn met jou zo?

Geschreven door Jurie Florijn
met foto’s van Rudina Coraj