Jacques

Jacques - Sara en Isenoud

Hij goot het laatste restje wijn naar binnen en vulde zijn glas opnieuw. Door het raam zag hij zijn rosse kat geconcentreerd naar het gekliefde brandhout turen. Het was de dag voor Kerstmis en het begon al te schemeren. De schuur was zowat de enige plek in de omgeving waar geen dikke laag sneeuw lag. De kat wachtte geduldig op de minste beweging die zou verraden waar de veldmuis zich verstopt had. Net toen ze zich schrap zette om te springen, hoorde hij dat er op de voordeur werd geklopt. Hij verwachtte geen bezoek, maar moest onvermijdelijk aan Jacques denken. En aan zijn woorden. ‘Stop nu met janken. Wij zullen elkaar terugzien, vriend. We zullen onze laatste jaren samen slijten en ze mogen ons dan samen begraven.’

Lekker wijntje, beter dan de vorige fles die hij net soldaat had gemaakt. Hij schonk nog eens vol. Slechts enkele maanden had hij nog te leven, dat wist hij sinds kort. Hij had zijn vriend ondertussen 15 jaar niet meer gezien. Jacques lachte hem charmant toe vanop het dressoir. Een echte casanova was hij met kraaienpootjes bij zijn blauwe ogen en een brede mond waarvan de hoeken speels omhoog krulden. Hij begreep waarom zoveel vrouwen voor hem vielen, hij was ook zo vaak voor Jacques gevallen. Hij kon nooit lang kwaad op hem zijn als hij weer eens een liefje had ingepikt. Zijn woede verdween als sneeuw voor de zon van zodra Jacques hem verontschuldigend toegrijnsde. ‘Vriend, ’t zijn maar vrouwen. Je laat die toch niet tussen ons komen?’

Ach, het kon onmogelijk Jacques zijn, dat wist hij wel. Misschien had hij zich het geklop ingebeeld. Het was behalve die ene klop verder stil gebleven. Daar had hij nooit aan kunnen wennen, de stilte van dit huis, dit land. Soms dacht hij dat het hem langzaam gek maakte. De fles was leeg. Tijd voor een glaasje van zijn favoriete whisky. Lagavulin, hij had vorige week nog een fles cadeau gekregen van zijn huisdokter. Tegen de pijn.

Hij vulde zijn glas gul. Hij moest eigenlijk zuinig zijn met deze dure fles, maar vanavond had hij nood aan gezelschap. Nood aan Jacques. Met de whisky kwam zijn vriend tot leven. Hij herinnerde zich nu zijn stem, zijn lach, zijn bruuske bewegingen en zijn geaarzel. Toen ze beiden weer alleen waren, hadden ze vele avonden doorgebracht op zijn terras met een fles whisky tussen hen in. Na het ledigen van zo’n fles hadden ze vaak op mekaar geschreeuwd of zelfs gevochten. De alcohol maakte dat zijn tranen van spijt en ontroering dan iets te vlot vloeiden waardoor Jacques ongemakkelijk werd. Jacques had een hekel aan zijn gevoeligheid en had hem een keer van zijn stoel geduwd zodat hij zou ophouden. Er was veel kapot gegaan in zijn leven, maar hij had nooit gedacht dat dit ook zou verdwijnen.

De dokter had goede smaak. Ze hadden elkaar beter leren kennen nu hij zo ziek was. Jacques zag verder weinig mensen. Maar hij had respect voor de dokter, een zwijgzame man die op hem mopperde als hij te emotioneel of ongerust werd. Dat wist hij wel te appreciëren.

Wat als het toch Jacques was geweest aan de deur daarnet? Wat zou hij doen als hij echt aan de andere kant van de deur stond te wachten? Hij was soms zo kwaad op hem. ‘Verdomse vriend!’ zou hij schreeuwen. ’Verrader! 15 jaar heeft het geduurd voor je kwam! En je belofte, vergeet het maar. Ik ga dood, verdomme!’ Jacques zou hem willen omarmen maar hij zou het niet toelaten. Ze zouden nog een keer vechten, in de sneeuw voor de deur. Hij en zijn verrader.

Zijn ogen vulden zich met tranen bij de gedachte en hij verslikte zich in zijn whisky. Hij hoorde geschuifel bij de voordeur. Zijn hoofd gonsde. ‘Vriend.’ Zijn hart ging tekeer. Hij keek naar zijn oude handen, ze trilden en hij kreeg ze niet onder controle. Hij goot een laatste slok whisky naar binnen en stond recht.

Moeizaam opende hij de voordeur. De koude beet hem toe. Een dode muis lag als vroeg kerstcadeau voor zijn voeten. Hij staarde naar de witte velden, het ijzige, oneindige, afstandelijke winterlandschap en voelde zich eenzamer dan ooit. Hij stapte naar buiten op zijn sloffen en liet de voordeur dichtvallen. Het huis liet hij achter zich en hij wandelde tientallen minuten. Hij voelde steeds minder van de koude en het deerde hem niet dat hij moeilijk zuurstof kreeg. Het werd stil in zijn hoofd en een soort rust kwam over hem.

‘Vriend.’ Hij stond stil en hijgde. Voorzichtig hurkte hij neer in de natte sneeuw, zijn oude knieën kraakten. Hij ging languit liggen. Armen en benen wijd open. Een sneeuwengel, zoals hij als kind had geleerd van zijn moeder. Hij hoorde haar zingen. Tranen stroomden over zijn wangen. ‘Stop met janken.’ Rechts van hem lag Jacques met fonkelende ogen en een brede grijns, armen en benen wijd. Zijn hart bedaarde, hij sloot zijn ogen. ‘Vriend.’

Het was donker geworden. De kat miauwde zachtjes en krulde zich tegen het roerloze lichaam van de oude man.

Geschreven door Sara Soete, fotografie door Isenoud Brouw