Ineens
was daar de toekomst

Ineens_was_daar_de_toekomst

Ineens was daar de Toekomst. Op een dag klopte ze op mijn deur en vroeg of ze even binnen mocht komen. Ze had een grote koffer bij zich. Ik had haar niet direct herkend. Eigenlijk verwachtte ik haar ook nog helemaal niet.

‘Ik dacht dat je later zou komen.’ Zei ik.
‘Wat bedoel je precies met later?’ vroeg de Toekomst.

Dat wist ik niet, dus ik nodigde haar uit voor een kopje thee. We zaten een tijdje tegenover elkaar zonder iets te zeggen.

‘Ehm…’

Ik wist niet zo goed wat ik tegen de Toekomst moest zeggen. Wat zeg je eigenlijk tegen de Toekomst? Met een schuin oog keek ik naar de koffer die ze in een hoek van de kamer had neergezet. Er kwamen geluiden uit. Het leek op een zacht geroezemoes, alsof er heel veel mensen op gedempte toon met elkaar praatten. Eigenlijk had ik honderden vragen. De Toekomst zomaar bij mij aan tafel, een buitenkans! Ik wilde vragen of ik later rijk zou worden, of gelukkig, of misschien wel allebei. Of er ooit vliegende auto’s zouden bestaan en hoe lang die ellendige crisis nog zou duren. Maar op dat moment kon ik eigenlijk alleen maar zeggen:

‘Hoe gaat het met je?’
‘Goed’ zei de Toekomst.
‘Echt?’ vroeg ik blij. Dat moest een goed teken zijn.
‘Ja, ben je daar verbaasd over?’
‘Nou… Je weet het natuurlijk nooit zeker.’
‘Dat is waar,’ zei de Toekomst, en ze glimlachte. Ik werd er een beetje ongemakkelijk van en schraapte een paar keer mijn keel.
‘Wat wil je weten?’ vroeg de Toekomst.
‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik.
‘De meeste mensen willen iets van me weten.’ zei de Toekomst. ‘Ze willen weten of ze rijk worden, of gelukkig, of misschien wel allebei. En dan heb je ook nog van die fantasten die zich afvragen of er ooit vliegende auto’s zouden bestaan.’ De Toekomst grinnikte. Ik lachte zenuwachtig mee.
‘Ja… haha. Dat gaat vast vervelen, al die vragen de hele tijd.’
‘Het hoort erbij,’ zei de Toekomst en nam nog een slokje van haar thee.
‘Wat doe je hier eigenlijk?’ vroeg ik. Oei, dat klonk wel heel ongastvrij. ‘Ik bedoel, ik had je nog niet echt verwacht.’

De Toekomst keek me vragend aan.
‘Je wist toch dat ik zou komen?’
‘Jawel, maar ik dacht dat ik nog wel even had. Ik weet niet of ik er wel klaar voor ben en zo.’
‘Ik heb iets voor je meegebracht,’ zei de Toekomst en keek naar de koffer in de hoek van de kamer. Het leek wel alsof de koffer nu zachtjes begon te trillen.
‘Je hoeft niet zo angstig te kijken,’ lachte de Toekomst. ‘Vind je het niet leuk om te weten wat ik heb meegebracht?’ Ik wist niet direct wat ik daarop moest zeggen.
‘Vroeger wel,’ zei ik vertwijfeld. ‘Toen was het nog leuk om te bedenken wat de Toekomst voor mij zou brengen. Toen kon je nog fantaseren over wonen in een kasteel en alleen maar taart eten. Of over beroemd worden en trouwen met een filmster.’
‘Nu niet meer?’ vroeg de Toekomst.
‘Niet echt, nee.’
‘Zou je dat nu dan nog willen, taart eten en trouwen met een filmster?’
‘Nee… maar.’
‘Wat zou je nu dan willen?’
‘Ik hoopte eigenlijk dat jij dat wel zou weten.’
De Toekomst zweeg veelbetekenend, stond op en liep naar de koffer die nu zo hevig trilde dat hij een stukje was verschoven. Het geroezemoes klonk steeds luider. Was dat een schaterlach? Of juist een uitroep van verdriet? Ze legde een hand op de koffer om hem te kalmeren en herhaalde haar vraag, terwijl ze me aan bleef kijken.
‘Wat wil jij?’
‘Wat zit er eigenlijk in die koffer?’ vroeg ik, om de vraag te ontwijken. De Toekomst zuchtte en keek me aan alsof ik een kleuter was die haar melk had omgegooid.
‘Hierin zit jouw toekomst.’

Daar was ik dus al bang voor.

‘Moet ik die nu openmaken?’
‘Dat hoeft niet,’ zei de Toekomst, ‘maar als je wilt kan je er even in kijken.’

Ik keek naar de koffer. Het was duidelijk dat die graag open wilde. Ik was al zo lang benieuwd naar mijn toekomst, dat je zou denken dat ik direct op zou springen om hem open te maken. Vandaag kon dan eindelijk mijn toekomst beginnen! Dat ene waar ik al zo lang op wachtte! Maar ik bleef zitten.

‘Ik wacht nog even denk ik,’ zei ik tegen de Toekomst.
De Toekomst zuchtte weer, ‘Goed, dat mag. Ik laat hem wel hier staan.’

En ze stond op, bedankte me voor het kopje thee, schudde mijn hand alsof we net tot een zakelijke overeenkomst waren gekomen, en wandelde fluitend de deur uit. Ik bleef een beetje beteuterd achter.

Nu staat dus in een hoek van mijn kamer, zachtjes trillend in een grote koffer mijn toekomst te wachten tot ik hem eindelijk openmaak. In het begin was dat best gek. Soms zat ik er uren naar te kijken, gissend naar de inhoud, twijfelend of ik hem open moest maken of dat ik toch nog een dagje moest wachten. Maar na een tijdje raak je ook aan zoiets gewend. Ik legde er een mooi kleedje overheen en zette er kaarsjes of een leuk plantje op. Zo nu en dan raak ik hem even aan en schurkt de koffer behaaglijk tegen mijn hand aan. Dan is het toch wel fijn dat hij er is en neem ik me voor de zoveelste keer voor dat ik morgen dan echt aan mijn toekomst begin.

Geschreven door Emmelie van den Wall Bake, fotografie door Rudina Coraj