Gruwzaam

gruwzaam_1_1


Gruwzaam. Heeft ooit een onheilspellender woord de muur van een verlaten bank gesierd? Het is louter nieuwsgierigheid die me hierheen heeft gedreven, enkel onschuldige onderzoeksdrift. Binnen raken was een fluitje van een cent geweest, het slot was al eens geforceerd. De deur leek nog wel dicht te zijn, maar als je net genoeg macht zet sta je hier net zo gauw binnen alsof het kantoor nog steeds in gebruik is.

De nachtelijke, tamelijk verkeersluwe Leien liggen achter me. Een eenzaam paar koplampen verlicht even de ruimte. De haastige letters glinsteren rood op. Mijn instincten zijn al lang en breed naar buiten gevlucht en een Hopus gaan drinken op de Stadswaag, maar mijn koppige dwaasheid houdt me stevig ter plekke. Mijn fascinatie beroert de lege plekken waar ooit automaten stonden, de metalen hengsels van de ooit nog glazen deur die uitgeeft op het daadwerkelijke kantoor en tenslotte weer het woord. Gruwzaam. Het klinkt als een geschikt woord voor kindermoord. Infanticide. Het klinkt minder erg als je er zo een medicijnennaam op plakt.

Tussen vrees en overmoed zet ik stapje voor stapje verder het desolate gebouw in. Ik weet dat ik doodstil wandel, maar het klinkt alsof elke spierspanning tegen het plafond weergalmt. Ik adem bruusk in door mijn nochtans niet geheel vrije neus. Het plotse, echte lawaai is bijna bevrijdend, maar het onderstreept ook nog maar eens het horrorsfeertje.
Sommige tegels zijn gebarsten. Ik tracht ze zorgvuldig te omzeilen om het geluid te beperken, maar bij de trap liggen ze er allemaal zo bij. Ik staar de donkere kelder in. De kluizen zullen er nog wel staan. Leeg, natuurlijk. Waarschijnlijk lijken ze gewoon op lockers in het zwembad. Niets aan dus, wat zou ik er te zoeken hebben? Halverwege de redenering sta ik al beneden. Ik zie geen hand meer voor ogen. Ik haal mijn fietslichtje uit mijn broekzak en houd het voor me uit. Lockers. Geen dikke kluisdeuren à la Ocean’s Eleven. Zelfs geen kluizen ter grootte van Asterix in Helvetia. Gewoon lockers zoals op de middelbare school, voor degenen die te lam waren om hun boeken mee naar huis te nemen, wat uiteindelijk toch altijd alsnog moest, want hoe kon je anders je huiswerk maken?

Het licht heeft hen wakker gemaakt. Twee figuren kruipen moeizaam overeind. Mijn hart gaat prompt als een razende tekeer, het bloed gonst in mijn oren. Ze glimlachen. Of ze grijnzen een doodsgrijns, daar lijkt het eerder naar. Het lampje valt uit mijn trillende handen. Met een klap keert het duister weer. Vier handen grijpen me vast, duwen me tegen de kluizen aan, klauwen naar mijn kleren. Ik spartel om los te komen, maar mijn worsteling blijft mat en verstoken van resultaat. De vingers die over mijn vel schuren zijn warm en fijn. Ik had ze koud en glibberig verwacht. Ze trekken mijn hemd kapot en dan zie ik even mijn kans schoon. Ik draai weg uit hun greep, maar bots dan tegen de volgende muur aan. Met de knal gaat plotseling een groenig tl-licht verontschuldigend flikkeren. De kluizen schuiven open: lijk na lijk springt overeind. De bank is een mortuarium. Ik herken verdrongen, verwrongen gezichten uit lang vervlogen puberjaren. Twee vrouwen weerhouden de dodengolf ervan me te verzwelgen.

Uit de massa stapt er een naar voren. Het lijkt exact mijn spiegelbeeld, maar terwijl hij nadert verandert hij. Zij. Ik staar recht in de ogen van mezelf als vrouw. Aan haar hand wandelt mijn kindertijd. De doden blijven in een halve cirkel rondom ons staan. Mijn twee eerste belagers zijn bovenop de kluizen gaan zitten, als twee gieren die de Heer danken voor het feestmaal dat ze staan te ontvangen. Ik open mijn armen naar het blonde ventje dat ik was. Hij heeft een mes. Zijn ogen boren zich in de mijne. Dan legt hij zich het mes op de keel en dooft met een tergend langzame snee het blauwe licht in zijn ogen.

Bloed op mijn lippen. Louter nieuwsgierigheid.

Geschreven door Wouter van Hoof met foto’s van Rudina Coraj