De onderbuurvrouw

de_onderbuurvrouw

Toen ik de deur achter me dichtsloeg en de trap afging, kwam de onderbuurvrouw even kijken. “Zijt ge weer alleen, meiske?” Ze keek me met haar zachte, lieve ogen vol medelijden aan. De onderbuurvrouw, die zelf alleen en oud was maar boodschappen deed voor ‘de oude mensen’.  “Het moet toch wat zijn, zo hele dagen alleen in hun appartementje, door het raam aan het zien. Niemand om eens mee te klappen. Och, ik heb daar zo’n compassie mee.” Ze leek er geen erg in te hebben dat ze zich in precies dezelfde situatie bevond. Het ontkennen was haar remedie, want ze voelde zich zelden oud of eenzaam.

Terwijl ze me aankeek, vulden mijn ogen zich met tranen. Hoe kon het toch verdorie, dat deze vrouw die ik niet eens zo goed kende, meer van me wist dan mijn eigen vrienden of familie. Ze opende de deur voorzichtig en knikte uitnodigend. Terwijl de tranen over mijn wangen rolden, stapte ik naar binnen. In haar vertrouwde groene zetel, met een kopje koffie en een koekske, zat ik te snikken. Het was de laatste dagen, na die ene avond waarop zo luid werd geschreeuwd, erg stil geweest, zei ze. “Meiske toch”. Ze had gelijk, ik was weer alleen. Hij was vertrokken met slaande deuren. Gisteren was hij nog één keer langs geweest, bewust op een moment waarop ik er niet was. Ik wist het omdat zijn gitaar weg was en omdat hij had opgeruimd, dat had hij niet kunnen laten.

De onderbuurvrouw had weer alles gehoord. Het was hetzelfde verhaal, altijd weer opnieuw. In het begin hoorde ze gelach, enthousiast gehol op de trappen, gehijg en mijn enthousiaste, opgewonden gilletjes. Ze hoorde mijn geluk en passie en ze hield haar hart vast. “Ge laat ze te snel binnen meiske. Ge moogt zo rap niet zijn.” Terwijl ze hoorde hoe gelukkig ik was, wist ze al dat het niet zou blijven duren en kocht alvast koekskes voor bij de koffie. Ze hoorde steeds vaker harde woorden. Af en toe een deur die dichtsloeg. Dan een hoogtepunt aan geschreeuw, hoe later in de nacht hoe heftiger. En uiteindelijk de week stilte en de vraag: “Zijt ge weer alleen, meiske?”.

Ze kwam naast me zitten en zuchtte. “Zeg het eens meiske, vertel het eens.” En ik vertelde. Ik vertelde haar wat ik nooit iemand verteld had, behalve hem. Dat ik enkel kon slapen met een mannenlijf naast mij. Dat de spoken van mijn jeugd me enkel dan met rust lieten. Een mannenlijf, het maakte niet uit wie het was, was voldoende om mij te doen slapen. Dus ik haalde ze binnen, zo snel als ik kon. Ik zocht de wanhopigen die gemakkelijk te overtuigen waren. Ik zei dat dit liefde was en waarom zouden we dan nog wachten. En ik kreeg een warm lijf in mijn bed. Voor weken, soms maanden. En ik sliep.

Nu was ik weer alleen en had een week van slapeloze nachten achter de rug. Mijn moeder had het ook. In het land van mijn geboorte geloofden ze dat het een dode was. Een dode die bij het inslapen op je kwam zitten en je probeerde te wurgen. Mijn moeder werd soms wakker in de nacht en kon niet bewegen. Haar armen, haar benen, haar hele lichaam verlamd. En rond haar nek twee handen, steeds strakker waardoor ze niet kon ademhalen. Ze zag de dode, voelde zijn handen en hoorde hem fluisteren in haar oor. Toen ik er nog in geloofde, zag ik het ook.

Nu waren het bij mij enkel de stemmen, maar het was nog steeds verschrikkelijk. Ik werd wakker en hoorde duizenden stemmen fluisteren, oorverdovend fluisteren. Ik was doodsbang maar kon niets doen, ik kon niet bewegen, ik kon mezelf niet wakker schudden. De angst daarvoor hield me vele nachten wakker. Ik was bang om in te slapen, bleef liever een hele nacht op dan die stemmen van de dood in mijn oren. Die verlamming, die machteloosheid, dat afwachten tot het zou overgaan.

Deze keer was het anders geweest. Hij had zich niet zo snel laten overtuigen, hij was niet wanhopig maar wel erg verliefd. Ik wilde hem in mijn huis, niet enkel om te slapen maar ook om met hem wakker te zijn. Hij was niet spraakzaam maar aanwezig. Ik kon hem ruiken, voelen en proeven. Waarom zou ik in slaap willen vallen zolang hij in de buurt was? Ik wilde van alle momenten genieten met hem, voor zolang het zou duren.

Ik had hem zelfs verteld over mijn nachten wanneer ik alleen was en wat mij teisterde, hij was de eerste. Hij had mijn voorhoofd gekust en beloofd dat hij ze zou weghouden, de doden. Dat hij me met zwaard en schild zou verdedigen. Hij had me in mijn slaap horen praten in mijn moedertaal en was nog verliefder geworden. Ik had een keer gekwijld op zijn kussen en hij had daarvan gehouden.

“Hij is deze keer lang gebleven hé meiske. En ge waart zo rustig samen. Als hij voor u zong, kreeg ik kippenvel. Mijnen Julien kon dat toch niet hoor, zo zingen. Hij deed het wel eens, maar ’t was altijd vals.” Doodvermoeid rustte mijn hoofd tegen de onderbuurvrouw haar arm, die ze rond mij geslagen had. Ik voelde hoe ook dit lichaam genoeg zou zijn om in een diepe, bodemloze slaap te vallen. De onderbuurvrouw zette zich voorzichtig wat gemakkelijker in de zetel en geeuwde.

Ik hoorde de stemmen op de radio en het getsjilp van de kanarie eerst luid om daarna op de achtergrond te verdwijnen. Ik hoorde niet hoe beneden de voordeur openging. Ik hoorde zijn aarzelende voetstappen op de trap niet. Ik hoorde niet hoe hij een verdieping boven mij op de deur klopte en zijn sleutel gebruikte om binnen te gaan. Ik hoorde zijn gerommel in de keuken niet. Ik hoorde het gesnurk van de onderbuurvrouw niet. Ik sliep.

Geschreven door Sara Soete, fotografie door Anna Mamaliga