De man die de duiven voederde

De man die de duiven voederde 2


Hij had haar zo gevonden. Hij had haar niet aangeraakt of verplaatst. Ze had daar exact zo gelegen. Zoals elke dinsdag was hij gekomen om de duiven te voederen. Ze hadden hem gevraagd dit niet meer te doen, omdat de duiven voor veel overlast zorgden. Maar hij wist dat dit was om hem koest te houden, opdat hij thuis zou blijven. Hij wist dat ze hem in de gaten hielden en uiteindelijk kapot wilden maken. Hij had hen wel door. Ze hadden het op hem gemunt. Er waren zoveel gebeurtenissen in zijn leven die dit bevestigden. Ooit geloofde hij dat een wraakzuchtige god hier achter zat, maar nu wist hij dat het de regering was. Dus hij kwam toch elke dinsdag naar het Sint-Jansplein met zijn zakken vol brood. Ze zouden hem niet klein krijgen. En zo had hij haar gevonden.

Hij had een zachte, ietwat hoge en hese stem. Midden in zijn oude, verweerde gezicht prijkte een trotse, stevige neus. Er lag een zachte en tegelijk rebelse blik in zijn helblauwe ogen en hij had rimpels over zijn hele gezicht. Hij vertelde verder.

Elke dinsdag werden de vuilzakken buitengezet op het plein. Hij had gemerkt dat het een heuse klus was voor de mannen van de vuilkar om die op te halen. De zakken en containers stonden kris kras over het plein verspreid en er was geen enkele vorm van organisatie. Dat stoorde hem. In een vorig leven was hij een ploegbaas geweest die geprezen werd om zijn praktische oplossingen en zijn organisatietalent. Toen hadden ze hem ontslagen, enkel en alleen omdat hij 3 weken in het ziekenhuis moest blijven. Het was voor de arbeidsrechtbank gekomen en hij had zijn gelijk gekregen, maar centen heeft hij nooit gezien. Maar hij week af.

Elke dinsdag, nadat hij de duiven gevoederd had, zette hij dus alle vuilnis samen op de hoek van het plein. Het was een groot plein en de cafés hadden heel wat afval, dus hij was er wel eventjes mee bezig. Erg vlot ging dat niet meer op zijn leeftijd maar hij haalde er veel voldoening uit als hij zag hoe alles netjes bij elkaar stond en hoe proper het plein was. Het ophalen ging nu veel sneller en de mannen van de vuilkar waren hem dankbaar. Hij werd zelfs bij één van hen uitgenodigd op de koffie. Het was best gezellig geweest maar hij was een week ziek geweest van die Turkse koffie. Een nieuwe uitnodiging sloeg hij voor alle zekerheid af, je weet nooit wat voor koffie die Pakistanen drinken.

Hij schraapte zijn keel. Hij leek zich schrap te zetten voor wat nu zou komen. Hij bette met zijn zakdoek zijn bezwete gezicht en haalde eens diep adem.

Die dag dus was hij bezig met het verslepen van een vuilniszak toen hij haar been zag. Een gescheurde panty, zonder schoen. Ze was dood, daaraan had hij niet getwijfeld. Hij had al wat doden in zijn leven gezien. Zijn vader als eerste. Hij vond hem toen hij twaalf was. Achter in de tuin had zijn vader een veld vol rodekolen. Ideaal om verstoppertje te spelen onder de grote bladeren. Het was zijn geheime verstopplaats waardoor hij het spel steeds won, tot die dag. Door zijn kreet hadden zijn vriendjes hem ontdekt samen met het levenloze lichaam van zijn vader. Hij had zich door het hoofd geschoten daar in het veld, tussen zijn rodekolen. Een betere verstopplaats vinden was hem daarna nooit meer gelukt. Maar hij week opnieuw af. Een slechte eigenschap van hem, dat wist hij wel. Al toen hij klein was, had zijn moeder hem verweten dat hij nooit eens gewoon een verhaal kon vertellen zonder er allerlei onbelangrijke details bij te sleuren. Terug naar haar dus.

Haar aanblik was gelukkig niet zo afschrikwekkend als die van zijn vader. Ze lag daar bijna vredig. Haar poedeltjes waren nergens te zien. Wel haar oude kinderwagen waarin ze hen altijd vervoerde. Die was omgevallen en had er bijna hulpeloos uitgezien, zo met de wieltjes in de lucht. Ze had normaal gezien mooie witgrijze krullen net zoals haar poedeltjes. Hij vond dat prachtig. Maar nu waren haar natte haren uit de krul en plakten in slordige slierten tegen haar hoofd. Op haar openhangende mond bevonden zich nog restjes lippenstift en ze was een oorring kwijt.

Ze was een vriendin. Ze zat daar elke dag op een bankje. Ze had hem wel eens geholpen bij het voederen van de duiven en hij had soms op haar hondjes gepast. Maar ze hadden vooral vaak gesproken over wat er fout was gegaan, over de regering die hen liever kwijt dan rijk was. Over de vele plaatsen waar ze niet welkom waren. Ze was een vriendin. En nu was ze dood.

Een traan rolde in een diepe groef over zijn wang. De vechtlust in zijn ogen doofde even om daarna weer op te flakkeren. ‘Zie je wel’, zei hij. ‘De regering heeft het op ons gemunt. Maar ze krijgen me niet klein.’ Hij stak zijn vuist op, raapte zijn zakje op waar het brood had ingezeten en wandelde met ongelijke maar o zo zekere tred weg.

Geschreven door Sara Soete fotografie door Job Thomas