De Dodendans

20140328_Bibliotheek van Babel_0232


Toen zijn laatste parochiaan, tevens zijn jongste zoon, de kerk de rug had toegekeerd om de wereld in te trekken, sloot hij vermoeid de zware kerkdeuren. Rustig liep hij naar het altaar en liet zich in het middenschip plat op de koude tegels vallen.

“Vader”, bad hij, “U gaf mij een grote kudde om te hoeden en te onderwijzen. Van elk van hen heb ik gehouden met heel mijn hart, zelfs van degenen die mij veracht hebben. De jongeren heb ik de wereld ingestuurd. ‘Ga’, zei ik, ‘raas en ren tot je niet meer kunt. Heb lief en haat, schreeuw en vecht, leef en tier en als je uitgeput raakt en je voelt dat je het niet meer alleen kunt, zoek dan God en denk nog eens aan je oude priester’. Tegen de ouden zei ik: ‘Leef, onderwijs je kinderen en geniet van je kleinkinderen. Vecht tegen het vervliegen van de levenslust, strijd met waardigheid en berust moedig als de amandelboom zal bloeien. Geef alle liefde die nog in je zit, help elkaar en wacht tot God je naar huis roept.”
“Vader”, bad hij, “U gaf mij leerlingen en nu is de kerk leeg. Mijn missie zit erop, bedankt voor Uw hulp.”

Hij krabbelde overeind, een nieuw mens, en zijn hart vulde zich met dankbaarheid. Met glimmende ogen keek hij zijn heiligdom rond. Zonlicht trok zacht glinsterende diagonale strepen door het bewierookte vertrek. Stof zweefde rustig boven het altaar, geduldig en vastberaden.

De parochianen, waar ze ook waren, herinnerden zich hun oude priester en kwamen terug naar de kerk die ze eens verlaten hadden. Op een mooie zondagmorgen vonden ze elkaar op het kerkplein en wachtten geduldig tot ze binnengelaten zouden worden. Maar de kerk bleef stil en gesloten en er was niemand die hen liefdevol begroette. “Zijn wij niet zijn kudde?”, mompelden de mensen, “Zijn wij niet zijn parochianen, de mensen voor wie hij leeft? Waarom laat hij ons dan niet binnen? Waarom troost en zegent hij ons niet?” Uiteindelijk werden ze het wachten moe, openden gezamenlijk de zware deuren en betraden het heiligdom.

In het wijwater dobberde rustig een felgele badeend en het eeuwenoude mozaïek in de Mariakapel was met stoepkrijt ingekleurd. De heiligenbeelden waren van hun plek gehaald en stonden in slagorde tegenover elkaar voor het altaar, elk getooid met een feestmuts. Romeinse kaarsen sierden de statige kandelaars en in het biechthokje stond een enorme glazen pot gevuld met toverballen. De voorste twee rijen kerkbanken werden bevolkt door een familie stromannen, de een nog vrolijker en kleurrijker uitgedost dan de ander. Vanaf de galerij vormden de orgelpijpen via de kroonluchters een enorme knikkerbaan die eindigde in het doopvont. Slingers waren door heel de kerk opgehangen, een tornado van kleuren rond het altaar. En daar, verzonken in een eeuwige slaap, verlicht door de vroege zonnestralen die de hoge ramen binnengleden, lag hun priester. Een blauwe lolly kleefde in zijn stoppelbaard en zijn stola was met smileys versierd. Om zijn mond speelde een glimlach en in zijn grijze haren waren gekleurde paperclips gestoken.

De mensen keken naar de dode, keken naar elkaar en keken de kerk rond. Eén voor één begonnen ze te glimlachen, te gniffelen, te proesten en vervolgens te schaterlachen. “Wat een wijze man was onze priester”, zeiden ze tegen elkaar, “hij leefde met God”.

Geschreven door Jurie Florijn, fotografie door Hanne Scheppink