Daverende Stilte

Daverende_stilte_1


Mijn armen hangen zwaar langs mijn lijf. Schuren tegen de te dikke stof van mijn shirt. Op en neer. Mijn billen plakken aan elkaar van het zweet. Ik zucht, draai de stop van de vuilgroene veldfles en veeg met de achterkant van mijn hand het zweet van mijn slapen. Alles plakt. Ook mijn binnenkant. Traag duw ik mijn rubberen benen voort. Vanuit de heupen. Het ene voor het andere. Ik heb geen idee meer hoeveel uren al aan één stuk. Steeds opnieuw, mij afvragend welke fatale stap me door de knieën zal doen gaan. Maar ik geef geen kik. Ik ga door. Tot ik niet meer kan. Het moet. Het moet het moet het moet. Anders raken we hier nooit uit. Niemand van ons.

Ik wist van voor af aan dat het een vreselijk idee was, denk ik terwijl ik de verdroogde blaadjes onder mijn schoenen voel knerpen. Ik kan niet nalaten inwendig te vloeken en te denken aan de rustige dag met boek en cocktail in de hangmat die ik gepland had. In plaats daarvan sta ik nu paniekerig middenin de brousse, met drie boze vrienden en een bewusteloze gids. Geen WiFi of telefoonontvangst. Geen mens in de omstreek te bespeuren. Alleen bomen, bladeren en bloedzuigers.

De hitte heeft zich inmiddels op mijn borst vastgezet, de vochtigheid stijgt me naar de kop. Ik voel de zon op mijn rosse kruin branden, maar durf mijn ogen niet van de grond te houden. Ik stap onhandig over de knoestige, eeuwenoude boomwortels. De aarde die ik bewandel kraakt onder een cadans van voetstappen. Voor mij zie ik de spierwitte kuiten van mijn vrienden op en neer gaan. Twee paar lange, witte ledematen die angstaanjagend misstaan in deze broeierige omgeving. Het derde paar kuiten is diepbruin en hangt slap tegen de grond. Arme jongen.

Mijn hart sloeg deze ochtend over toen ik zag dat onze gids voor deze expeditie amper volgroeid was. Ik zou zo meteen mijn leven in de handen van een onvolwassen snaak op teenslippers moeten leggen. Zijn grote lach was charmant, maar gaf me geen veiliger gevoel.

Een halve dag en een giftige slangenbeet later blijkt mijn voorgevoel meer dan juist.

De massieve, geaderde takken kraken onder het gewicht van de dreiging. Angst huilt en tiert in mijn lijf, maar mijn gezicht blijft onbewogen. Die gigantische hoop boeken die ik nog had moeten lezen. Of schrijven. Huizen moeten kopen. Om nog maar te zwijgen van jou. De mooiste vrouw die ik nog zou leren kennen. Ten huwelijk vragen.

Urenlang lopen wij al rond. Richtingloos, hulpeloos, stuurloos. Steeds dieper het woud in. Vergeefs op zoek naar een uitweg. Onze kans op overleven slinkt zienderogen. Seconden tikken weg. Ons zwijgen davert oorverdovend. Maar wij zijn vrienden, wij hoeven geen woord te zeggen om te weten waar het over gaat.

Ik haal diep adem, hef mijn hoofd en wandel met opgeheven kin het schemerdonker tegemoet.

Geschreven door Annelies Leysen, fotografie door Rudina Coraj