Barry

barry


Een zacht windje waait door onze haren terwijl we op onze hurken zitten en met steentjes mieren doodduwen. Mijn haar wordt te lang, dat zei oma gisteren nog. Ik hou ervan het even uit mijn gezicht te blazen en het daarna koppig terug te voelen glijden. Mijn T-shirt ruikt naar het wasproduct van oma. Ik vind dat best. Dat van moeder rook je nauwelijks omdat ze er te weinig van gebruikte. Ook Barry ruikt nu lekker en voor het eerst heeft hij veel sproeten in zijn gezicht. De dode mieren worden een smeerboel dus we besluiten sprinkhanen te gaan vangen in het veldje achter oma’s huis.

Eind augustus is het en we moeten bijna terug naar school. Tenminste, dat hopen we. Eigenlijk weten we nog steeds niet wat er nu gaat gebeuren. Oma zegt dat zij alles zal regelen, dat wij zoveel mogelijk moeten buiten spelen. Barry ligt op zijn buik in het hoge gras en wacht tot een sprinkhaan nadert. Ik denk dat Barry een beetje kapot gegaan is toen het gebeurde en heb geen idee hoe ik hem kan repareren. Oma lijkt het ook niet te weten.

Maar vandaag is een goede dag. Hij is al de hele dag uitgelaten en daarnet wandelden we met de armen over elkaars schouders geslagen langs het water. Barry’s initiatief. Bijna zoals vóór het gebeurde, toen we samen vochten tegen de grote jongens, huilden in onze kamer bij mama en lachten om de mopjes van de kalender. Toen we met een oud zakmes bloedbroeders voor het leven werden. De ontstoken vinger maakte het des te echter.

Dat is de laatste weken wel anders. Barry heeft moord en brand geschreeuwd tot oma toestemde om hem alleen te laten slapen. De eerste weken kroop ik bij hem in bed en hield hem vast tot hij wakker werd uit zijn nachtmerrie, bedaarde en snikkend terug in slaap viel. Hij liet het toen nog toe. Later werd hij woedend als hij me zag bij het wakker worden. Ik mocht hem niet vasthouden, moest vanuit mijn bed toekijken hoe hij vocht met wat hem elke nacht teisterde. Ik word nu enkel ’s morgens geconfronteerd met mijn bleke, kleine broer met donkere kringen onder de ogen, die, terwijl iedereen nog sliep, zijn beddengoed al in de wasmachine heeft gestopt.

Maar vandaag is het een goede dag. Barry heeft een sprinkhaan gevangen en schatert omdat het beestje hem kietelt, zo tussen zijn samengeklemde handen. We willen hem zien! Voorzichtig opent Barry zijn handen. ’t Is een prachtexemplaar: bijna fluogroen en wel 6 centimeter groot. We wachten op de plotse sprong die het beest elk moment kan maken. Het dier blijft echter zitten op Barry’s hand, staart ons met zijn uitpuilende oogjes aan. De seconden lijken uren, de sprinkhaan verroert niet. Barry fluistert zacht. ‘Je moet niet bij mij blijven, ik moet alleen zijn, ik moet. Jij moet niet voor mij zorgen, jij moet niet blijven, …’ Pas als een traan recht op zijn kleine kopje landt, kruipt de sprinkhaan, het lijkt bijna met tegenzin, naar de rand van Barry’s hand, om na enig aarzelen met een grote sprong tussen de grashalmen te verdwijnen. Ik leg mijn hand op Barry’s schouder. Hij laat het toe. Geluidloos huilt hij en trekt mijn arm verder om zich heen.

Die avond klopt hij op mijn kamerdeur. Ik hoopte dat hij zou komen dus ik heb een warmwaterkruik klaargelegd in zijn bed. Later die nacht word ik wakker van een klein, warm jongetje dat tegen me aan komt liggen, wiens haarpieken in mijn neus kriebelen. Ik houd hem vast en huil in zijn nek.

‘Niemand moet alleen zijn.’

Geschreven door Sara Soete met foto’s van Rudina Coraj