Andalucía y el nexo

fotojanuari


Hagelwit.

Mijn ogen dwalen door het kantoor. Ik wissel een blik uit met een collega. Die vage blik van herkenning – het soort herkenning van te lang met iemand in een ruimte te zitten, het soort herkenning dat denkt: “Volgens mij ken ik hem van ergens anders, maar van waar toch?” (Van de afgelopen twee uren op elkaars gezicht zitten staren, natuurlijk.) Het soort herkenning dat weigert zijn mond open te trekken en hallo te zeggen.

Hagelwit. Een paar sansevieria’s staan er wel, want waar zouden we zijn zonder? Hagelwit ook de bevolking. Blanc bleu belge, kennelijk zonder uitzondering. Sansevieria’s: ja. Uitzonderingen: nee.

Hoor ik te weten hoe dit moet? Staat dit ergens omschreven? Geen flauw idee. Ik weet niet eens of ik wetenschap heb van waar een omschrijving zich zou moeten bevinden. Zal ik het vragen? Misschien vraag ik het, als ik zijn stem hoor weet ik vast weer van waar ik hem ken. (Van nu net, ik heb zijn stem nog nooit gehoord.) Het is dwaas om te vragen. Hij gaat me aanstaren, een zakelijk, vriendelijk, zelfs correct antwoord geven. Maar later, later wanneer ik mijn rug gekeerd heb, later zal hij lachen. Hij zal lachen en het vertellen, vertellen wat er zo grappig is. Iedereen zal weten hoe dom ik ben, hoe onhandig ik overkom. Iedereen zal me hoofdschuddend nastaren, zachtjes zuchtend door de neus.

Hagelwit ook de glimlach van mevrouw de directeur. Zie ik er op de juiste manier bezig uit? Als ze maar niet merkt dat het maar bezigheidstherapie is. Ik raak niet verder met mijn eigenlijke taak. Ik verberg de tabbladen die verraden dat ik wanhopig op zoek ben naar informatie die ik al onder de knie zou moeten hebben. Denk ik. Mijn mail blijft openstaan. Natuurlijk staat mijn mail open, want ik ben net een erg belangrijk bericht aan het sturen naar, naar, naar ICT. Over de, over het, het netwerk, ja, want er zijn problemen met mijn toegangsrechten, ja, de toegang, ik kan aan minder documenten dan mijn collega’s. Pertinent niet handig. Ik moet naar de wc. Daar is tenminste niemand die me op de vingers kan tikken. Zou ik erop worden aangekeken dat ik meer dan twee keer per dag naar het toilet ga? Ik zal een map meenemen op de terugweg. Rondlopen met een map ziet er gewichtig uit. Iemand met een map weet wat hij doet. Verdraaid, heb ik mijn bocht gemist? Dit zijn niet de wc’s. Er staat wel een archiefkast; niets dan indrukwekkend uitziende mappen. Die rode, die kan nog wel vaag iets met mijn job te maken hebben.

Ik ken deze gang, ik ben nog niet verdwaald. (Ik ken deze gang omdat het al de derde keer is dat ik hier passeer.) Hier is mijn bureau. Of de wc. Of een grote open ruimte die ik nog nooit eerder heb gezien. Sansevieria’s. Muurhoge sansevieria’s. Geen wit, maar glas. Je kan van eender welk bureau in de ruimte alle andere overzien. En aan het andere uiteinde van de ruimte: een deur met de silhouetten van een man en een vrouw als ultiem symbool van verlossing. Ik doe de deur van het ondoorgrondelijke gangenstelsel zachtjes achter me dicht. Of met een ontzettende klap waardoor iedereen, werkelijk iedereen opkijkt. De kortste weg hierheen heb ik niet genomen: ook mevrouw de directeur schenkt anderhalve seconde aandacht aan de vraag wie zo dwaas veel lawaai veroorzaakt. Met neergeslagen ogen slalom ik tussen de vertoornde bureaus, snel, snel naar de toiletdeur. Ik grijp lucht. Er is geen klink. Het is een muurschildering. Ontsteld draai ik me om. Wankel vat ik de terugweg aan. Dan zie ik hem, hem daar, ik ken hem, mijn collega. Die zit toch bij mij in de hagelwitte kamer? Langzaam laat ik mijn blik zakken. Ik sta aan mijn eigen bureau. Dit is zonder enige twijfel mijn bureau. Misschien is dit het enige waar ik vandaag nog niet over getwijfeld heb. Trillend zet ik de map neer. Met een nieuwe daverende klap tuimelt ze om. Iets anders dan verpletterende schaamte eist echter mijn aandacht: er ligt een oog op mijn bureau. Een groot oog. Van een koe, denk ik. Ik wil vragen hoe het daar komt en wat het daar doet, maar mijn quotum aan anderen storen is vandaag al ruim overschreden. Het is vast ook weer een stomme vraag. Wie weet, wie weet staat er wel iets in deze archiefmap. Of wie weet laat de map me in de steek: waar tekst en uitleg behoort, alleen een mes. Een mes om oogballen mee te dissecteren. Sowieso. Gelaten vat ik de taak aan. Het oog geeft niet meteen mee. Pas als ik doorduw knapt het buitenste vel en komt er een soort van rozig halfgekookt eiwit uitgegutst. Lustig snij ik verder, tot ik de lens vrij heb.

Ik moet nog steeds naar de wc. Ik kijk rond. De enorme vrouwentongen schermen mijn bureau af van de rest van de ruimte. Dit is wellicht het enige bureau in de glazen kamer dat niet van overal zichtbaar is. Niemand zal het merken. Ik laat mijn broek zakken en doe mijn gevoeg in de bloempot. Voor mijn neus worden de sansevieria’s opgegeten, onder veel gesmek en geloei, door mijn collega, ik kom nog wel op zijn naam. Uit zijn lege oogkassen traant bloed. Mevrouw de directeur zit op zijn vlezige, gevlekte rug. Ze duwt zes maanden contractverlenging onder mijn neus. Het papier smeekt om een handtekening.
Hagelwit.

Geschreven door Wouter van Hoof, fotografie door Peter Debacker