Tramreis naar Dagrovad

Tramreis naar Dagrovad

De tramlijn naar Dagrovad is een drukbezette lijn. Als de ene dampende tram stampvoetend bij een van de haltes – grijze, lelijke blokken veilige haven in de sneeuw – stopt, staat de volgende al ongeduldig te wachten. Elke tram volgepakt met grijze mensen, de gezichten nog ongeïnteresseerd van de slaap, meer dan tevreden om op te gaan in een naamloos ochtendcollectief. Ik schuifel naar de treeplank en hijs mezelf naar binnen, waar het warm is. Dicht opeengepakt wasemen we gezamenlijk de wereld buiten, op weg naar Dagrovad. Dagrovad! De stad waar dromen werkelijkheid worden.

Een oude man leunt vermoeid tegen mijn schouder, de ogen gesloten, de mondhoeken vertrokken van ingesleten ongemak. Zijn haar is wit en dun en ligt plat op zijn hoofd, geen enkele bescherming biedend aan de rozige hoofdhuid. Onder zijn arm een aktentas met daarin de boekenlijst voor de sectie natuur­wetenschappen van de bibliotheek van Dagrovad. Zijn bibliotheek, zijn levenswerk. Grote marmeren zuilen en kunstig versierde boekenkasten die tot het plafond reiken. Overal de geur van boeken en statige banen zonlicht, gevuld met zwevend stof. Een kast vol met Duitse literatuur, uitgevoerd in notenhout: zijn kast. ‘s Morgens bij het binnenkomen, nadat hij zijn jas aan de kapstok heeft gehangen, laat hij liefkozend zijn vingertoppen over de glimmende ruggen glijden. Zijn literatuur, zijn eerste drukken, zijn Dagrovad!

De vrouw tegenover mij strijkt loom een streng diepblond haar van haar voorhoofd. Rond haar ogen beginnen de eerste rimpels zichtbaar te worden. Ze weet niet dat die haar mooier maken, echter: een moeder en een vrouw. Onwillekeurig glijden mijn ogen langs de haren in haar nek, langs haar sleutelbeen naar de verleidelijke rondingen naast haar kanten kraagje. Een kraagje dat ze zelf maakt, in een gezellig winkeltje aan de gracht van Dagrovad. Haar winkeltje, het winkeltje met handgemaakte producten dat ze zelf heeft opgezet. Als ze de deuren ‘s morgens opent snuift ze eerst de geur van vers kant diep in haar longen. Gevangen in intens geluk om wat van haar is wacht ze tot de zon over de huizen aan de overkant komt gekropen en haar handelswaar wakker kust.

In de hoek hangt een jongen, af en toe zichtbaar tussen de mensen door. Zijn haren dweilen de condens van de ramen. Hij schrikt wakker van het geschok en dommelt weer in. Zijn vingers grijpen volleerd een gitaarrif uit de lucht. Het is hem aangeboren, hij is opgegroeid met muziek: hij voelt het, leeft het en brengt het naar Dagrovad. Afgeladen vol zijn de zalen waar hij speelt, iedereen bewierrookt zijn aanpak en visie. Maar het publiek laten zwijgen om een merel te horen zingen, dat kan alleen in Dagrovad.

De trambestuurder kijkt me aan, zijn ogen priemen door de menigte. Zijn hand grijpt de hendel van de deur en hij wenkt me naar zich toe. Het is mijn halte, Dagrovad is niet voor mij weggelegd, ik ga gewoon naar mijn werk. Want jij bent niet in Dagrovad.

Geschreven door Jurie Florijn met foto’s van Job Thomas Photography