Klote


‘Klote!’

Van de hele waaier van scheldwoorden die in zijn hoofd de revue passeerden, was het enkel dat krachtige vijfletterwoord dat uit zijn mond ontsnapte. Hij keek in de spiegel boven hem en zag alle kopjes in de bus met ongeruste ogen naar hem kijken. Het was er veel luider uitgekomen dan hij gewild had. ‘Everything allright, Jos?’ vroeg de man die al de hele dag op de bank achter hem had gezeten. ‘Yes, yes, no problem,’ antwoordde hij. Gelukkig had hij niet voor ‘shit’ of ‘fuck’ gekozen om zijn frustratie te uiten. Dat had het alleen maar erger gemaakt.

Jos was de ganse dag onderweg met een groep Britse toeristen. Hij was, ondanks de loden julizon, piekfijn gekleed in een zwart kostuum met wit hemd en rode das, logo en naam van zijn werkgever netjes zichtbaar op een badge. Zijn resterende haren waren met gel achteruit gekamd en er viel geen stoppel baardgroei te bekennen op zijn gezicht. In opdracht van zijn werkgever reed hij in zijn 14 meter lange autocar de Britten naar begraafplaatsen, herdenkingsmonumenten en slagvelden in de Westhoek. Precies honderd jaar na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was het een drukte van jewelste in de anders zo verlaten streek. Het leek wel of elke Brit, Canadees of Australiër de plekken wilde bezoeken waar hun landgenoten jarenlang een loopgravenoorlog hadden uitgevochten met de Duitsers. De plaatselijke reisorganisatoren en busmaatschappijen hoorde je niet klagen.

Jos was nerveus. Vandaag reden de renners in de Ronde van Frankrijk van Ieper, zijn geboortestad, naar Arenberg. Een wielerhoogdag, deze kasseienrit, waar Jos al maanden naar uitkeek. Spektakel verzekerd. En eindelijk een kans voor ‘onze mannen’ om die klassementsrenners een koekje van eigen deeg te geven. Voor de rollen in de cols weer omgedraaid zouden worden. Hij had het meermaals gezegd, de laatste keer vanochtend tegen zijn vrouw tijdens het verorberen van de dagelijkse boterham met perensiroop. ‘Het wordt een gevaarlijke etappe. Ge kunt de Tour niet winnen vandaag maar ge kunt ‘m wel verliezen. Die Colombiaanse klimmertjes gaan niet weten wat ze voelen in hun dunne beentjes als ze over de stenen van Carrefour de l’Arbre dokkeren.’ Hij wreef zich in de handen en wiebelde heen en weer op zijn stoel. ‘Vergeet uw boterhammen maar niet in al uw opwinding, ik heb er een pakske nootjes ingestoken, dat geeft extra energie’, zei zijn vrouw terwijl ze zijn brooddoos in zijn handen duwde. Hij nam een laatste slok koffie en vertrok. ‘Tot straks.’

Zijn goed humeur dankte hij aan de reisroute van die dag. Toen hij de dag ervoor het programma bekeek, zoals steeds netjes in een doorschijnende map gestoken door de secretaresse, zag hij dat er om 14.40 uur een bezoek aan Tynecot Cemeteries gepland was. Dat betekende dat die Britten minstens drie uren zouden zoet zijn want Tynecot is de belangrijkste Britse begraafplaats. Tijd genoeg om zijn bus te parkeren, zich te installeren in zijn comfortabele chauffeursstoel, de radio op te zetten en te genieten van het wedstrijdverslag. Het deed hem denken aan de tijd toen hij als kind met zijn grootvader in de moestuin wroette en ze samen naar de finale van de Touretappes luisterden, met de radio, netjes ingepakt in een plastic zak, op de schoot. Spannender kon je een koers niet beleven.

Eén telefoontje deed zijn plannen in duigen vallen. De gids die voorzien was voor het bezoek aan Tynecot was ziek geworden. ‘Het is diarree,’ zei Chantal, de secretaresse van de busmaatschappij, ‘hij kan echt niet komen, Jos. En Gilbert zegt dat gij het maar moet doen dan, dat bezoek. Gij kunt dat, zegt hij. Met al uw ervaring. Gij kent heel die historie op uwe duim.’ Hij hoorde Chantal opleggen. Een luide vloek later nam hij de microfoon en legde hij de situatie uit aan zijn passagiers. Er klonk een enthousiast applaus toen hij vertelde dat hij zijn uiterste best zou doen om het programma zo goed mogelijk te laten verlopen.

Tijdens de rondleiding door Tynecot kon Jos zijn gedachten niet van de koers houden. Toen hij met de groep in zijn kielzog langs de ontelbare witte grafstenen liep, één voor elke gesneuvelde Britse soldaat, bedacht hij welke Brit het best op de kasseien uit de voeten zou kunnen (Geraint Thomas). Hetzelfde bij het graf van de gesneuvelde Duitsers (Tony Martin). En toen hij vertelde over hoe de Australische kapitein Jeffries op deze plek een Duitse bunker probeerde te veroveren en daarbij het leven liet, zag hij Simon Gerrans van de Australische Orica-GreenEdge ploeg voor zich en vroeg hij zich af of hij genoeg power in de benen had om deze rit te kunnen winnen? Na de rondleiding, terwijl de Britten tijd kregen om foto’s te nemen van het centrale herdenkingsmonument, fantaseerde hij over zijn ideale scenario: er vormt zich een elitekopgroep met Van Marcke, Van Avermaet en Cancellara, net zoals in de Ronde van Vlaanderen. Maar dit keer zou de Zwitser er genadeloos worden afgereden door de Belgen. Hopelijk kon hij de laatste kilometers nog live volgen.

Hij overschreed de snelheidslimiet meerdere keren in het terugrijden naar Ieper waar hij de toeristen aan een restaurant afzette. Daarna trok hij in de lege bus zijn das uit en zette de bovenste knoopjes van zijn hemd open. Hij rook zijn eigen zweet. Hij nam een blikje cola uit de koelkast, deed het pakje nootjes open en zette de radio aan. Maar in plaats van de opgewonden stem van de commentator, hoorde hij hoe een saaie radiopresentator de rit van de volgende dag uit de doeken deed. Daarna volgde er een debiel reclamespotje. De etappe was voorbij. Ditmaal liet hij alle vloekwoorden die hij kende luid uit zijn mond schallen, de ene al gortiger dan de andere. Hij klopte uit volle macht op de fluweelzachte leuning van zijn zetel. En nog eens. En nog eens. De tientallen twee euro-munten die hij als fooi gekregen had vlogen uit zijn borstzak en het zakje nootjes dat hij op de leuning had gelegd spatte helemaal open. Hij zag de munten en nootjes onder, tussen en achter zijn pedalen vallen, gevolgd door de inhoud van het blikje cola. Dat werden overuren om zijn bus proper te krijgen. Waarschijnlijk zou hij nu ook de samenvatting van de etappe missen. ‘Klote-oorlog!’ Het was niet zijn laatste vloek die dag.